Nieuws Kras Sport

FIETSEND NAAR HET IJS

KRASSERIJEN

 

De Maritieme Alpen heet het hier en als je de wegen naar boven ziet, dan begrijp ik alles van deze naamstelling, immers water valt niet te asfalteren. Mijn grote goed, hele stukken asfalt ontbreken gewoon van het een op het andere moment. Ik ben blij dat ik eerst aan het klimmen ben geslagen, naar beneden had de dood tot gevolg kunnen hebben. Onbegaanbaar en zelden zoiets slechts gezien, kraters zijn het soms, máár… het neemt de pret van het fietsen niet weg.

Vrouwlief brengt het er beter vanaf op haar gravelbike, hoewel op haar gewone racefiets fietst ze mij er ook met het gemak af. Voor mij is het gewoon afzien en stoempen naar boven, snot voor de ogen en zweet op plekken waar ik mij nimmer een klier gewaar ben geweest, maar ik hou dapper vol. En belangrijker, ik heb er dus schik in, hoe dood ik soms ook aan het gaan ben. 

Een paar dagen later heb ik al zichtbaar profijt van het vele gedane klimwerk, nu ik 150 kilometer verderop zit in de Piëmont. Veel glooiender hier, maar verkijk je er niet op, want ook hier is het stevig aanpoten. Vergelijk het met de Ardennen, de klimmen zijn korter, maar dikwijls net zo stijl als in het Alpengebergte. Laat ik dat maar even gezegd hebben.

Ik ben niet de enige wielrenner hier, dat was ik niet 150 km terug en dat zal ik zeker ook niet zijn over een week als ik richting Dolomieten verkas. Uren kan ik naar ze kijken, de Italiaanse renners, ze zijn zo vreselijk anders. Hoe mooi mijn fiets en materiaal ook is, hoe mooi mijn wieleruitrusting en kledij ook is, ik steek af als een boerenpummel bij de eerste de beste Italiaanse renner, die aan mij voorbijgaat. Zo verfijnd, zo gesoigneerd, zo gebronsd, zo verzorgd, heus ik weet het, ze doen het erom, het is een ijdel volk, maar hoe picobello is het wel niet allemaal. Zelfs het geluid van de ketting is anders, soepel, vloeiend, zoef. Ik benijd ze tot in het diepst van mijn hart.

Wel is er een zichtbaar verschil hier tussen de Noord Italiaanse wielrenner, de berggemsen als het ware en de zuidelijkere Italiaanse renners, dat zijn toch meer van die mooi weer zondagkoersers. Ook daar was ik vaak te vinden door de jaren heen, maar ik zag ze sporadisch doordeweeks, alleen weekends fietsen. Niet zoals hier de ganse week lang. Ik denk dan ook dat het allen schaatsers hier zijn of skiërs, maar in ieder geval wintersporters, die zich op peil en in conditie moeten houden.

Ik denk dan ook alleen maar oude of potentiële medaillewinnaars van EK, WK of OS langebaanschaatsen te zien. Ik heb zowaar het vermoeden, dat ze hier fietsen met een groter of hoger doel. Achter ieder brilmontuur schuilt vast een nieuwe Roberto Sighel of Enrico Fabris. Of onder iedere wielerhelm zitten de blonde manen verstopt van een van de vele Franceska Lollbrigida’s. Ik zou ze willen vastklampen, willen aanspreken als ze stilhouden bij een kruispunt of als ze een terrasje aandoen voor een verdiende ‘doppio’. Ze willen vragen op wat voor buizen ze schaatsen en wat hun PR momenteel is, maar hoe? Ik spreek nauwelijks een woord Italiaans en het enige Italiaanse ijs wat ik ken is ‘gelato’. Wat zullen zij me vreemd aankijken als ik ‘gelato’ herhaaldelijk roep onderwijl driftige schaatsbewegingen erbij sta te maken. Ze zullen zenuwachtig in de lach schieten, mij vragen of ze een ‘ambulanza’ voor me moeten bellen of wijzen in de richting van het lokale ‘ospedale’. Dus laat ik de gedachte maar aan mij voorbijgaan en fiets ik gewoon lekker verder in mijn uppie op grote afstand van mijn eega.

Ik schakel een tandje terug bij een volgend colletje aangekomen en laat in gedachte de namen passeren op Italiaanse theatraal zangerige wijze, afwisselend met dat onvervalste staccato; Enrrrico Fabrisss, Robertooo Sighellll en Franceska Lollllobrrrigidaaa. Ook dat is toch zoveel mooier als Timmer, Nuis en Leerdam, zeg nou zelf. Maar hoe dan ook nog een dikke week lekker zweten, zwoegen en vermaken op de fiets. En dan kan die ingeruild worden voor de klappers, want nog een kleine maand. We benne bijna klaar voor het ijs en hebbe er zin in!